French Grammar


Des verbes irréguliers (troisième groupe) commençant par la lettre C

cuire, ceindre, se ceindre, choir, chaloir, circoncire, circonscrire, se circonscrire, circonvenir, clore, coudre, combattre, commettre, se commettre, comparaître, comparoir, complaire, se complaire, comprendre, se comprendre, compromettre, se compromettre, concevoir, se concevoir, conclure, se conclure, concourir, conduire, se conduire, condescendre, confire, se confire, confondre, se confondre, conjoindre, connaître, se connaître, conquérir, se conquérir, consentir, construire, se construire, contenir, se contenir, contraindre, se contraindre, contrebattre, contredire, se contredire, contrefaire, se contrefoutre, contrevenir, convenir, se convenir, convaincre, se convaincre, coproduire, correspondre, se correspondre, corrompre, se corrompre, courir, couvrir, se couvrir, courre, croire, se croire, croître, craindre, cueillir

4 comments

  • Les verbes irréguliers en français sont les verbes du troisième groupe ainsi que les verbes défectifs (qui ne se conjuguent pas sous toutes les formes).
  • Traduction en néerlandais

    cuire : (à l’eau) koken : (à la graisse) bakken ; (être saisi à la graisse) braden ; (être braisé) stoven ; (à sec) roosteren ; (brûler) branden, gloeien
    ceindre : (mettre autour du corps) omdoen, ombinden ; (entourer de) omgeven (met), omringen (met)
    choir : vallen
    circoncire : besnijden
    circonscrire : (décrire une ligne) afbakenen ; (feu, épidémie) (maîtriser) tot staan brengen
    circonvenir : misleiden
    clore : sluiten
    coudre : naaien, vastnaaien, (une blessure) hechten
    combattre : (livrer combat) vechten (aussi au fig.) ; (lutter contre) vechten tegen, bestrijden (aussi au fig.)
    commettre : (accomplir) begaan, plegen ; (désigner) aanstellen
    se commettre : (fréquenter) zich inlaten (met)
    comparaître : verschijnen
    complaire (à) : ter wille zijn
    se complaire : plezier hebben
    comprendre : (saisir) begrijpen ; (comporter) bevatten ; (inclure) meerekenen
    se comprendre : (être compris) begrepen worden ; (s’entendre) elkaar begrijpen
    compromettre : (choses) in gevaar brengen, op het spel zetten; (personnes) compromitteren
    se compromettre : (perdre sa réputation) zich(zelf) compromitteren
    concevoir : (comprendre) begrijpen ; (imaginer) ontwerpen, uitdenken; (éprouver) (ge)voelen; (engendrer; former (un concept)) concipiëren
    conclure : (+ de … à) (tirer une conséquence de) (uit iets) de conclusie trekken (van) ; (+ à) (tirer une conclusion) besluiten (tot) ; (jur.) afdoende zijn ; (régler) (af)sluiten ; (terminer par) afsluiten (met), besluiten (met)
    concourir : (+ à) (collaborer à) bijdragen (tot) ; (être en compétition pour) mededingen (naar) ; (math.) convergeren
    conduire : (accompagner (qqn)) brengen ; (diriger (un véhicule)) besturen ; (diriger (un animal)) hoeden ; transmettre (la chaleur, etc.)) geleiden ; (faire aller (qqp)) leiden (ergens naartoe), brengen (ergens naartoe) ; (gérer) leiden , leiding geven aan ; (amener (qqn à qqch)) (iemand) brengen (tot iets) ; (diriger (un orchestre) dirigeren
    se conduire : zich gedragen
    condescendre : zich verwaardigen (tot)
    confire : konfijten
    confondre : (unir) (ver)mengen, verenigen; (mêler dans son esprit) met elkaar verwarren; (déconcerter) in verwarring brengen; (démasquer) aan de kaak stellen
    se confondre : (+ avec) (se mélanger) zich vermengen ; (+ en) (multiplier) zich uitputten (in)
    connaître : (qqn, qqch) kennen, (qqn) leren kennen, (qqch) weten, op de hoogte zijn van; (connaître de) bevoegd zijn om te berechten
    se connaître : (réfl.) zichzelf kennen ; (récipr.) elkaar kennen
    conquérir : veroveren
    consentir : (consentir à) instemmen (met) , toestemmen (in) ; (autoriser) toestaan, goedkeuren
  • Traduction en néerlandais

    construire : (bâtir) bouwen, (routes, canaux, digues) aanleggen ; (élaborer) vormen, (roman) opzetten, (théorie) opstellen, (système) opzetten, (figure géométrique) construeren
    contenir : (renfermer) bevatten, omvatten, inhouden; (mesurer, renfermer) een inhoud hebben van; (réprimer) in bedwang houden
    se contenir : (se maîtriser) zich inhouden, zich beheersen
    contraindre : (forcer) dwingen (tot) ; (refouler) bedwingen
    se contraindre : (se forcer à faire qqch) zich (ertoe) dwingen (om) ; (se contrôler) zich inhouden
    contredire : (démentir) tegenspreken ; (être contraire à) in strijd zijn met ; (jur.) weerleggen
    se contredire : (se disputer) elkaar tegenspreken; (dire des choses contrasictoires) zichzelf tegenspreken; (ne pas correspondre) niet met elkaar overeenstemmen
    contrefaire : (imiter) nabootsen; (falsifier) vervalsen ; (déguiser) verdraaien
    se contrefoutre (de) : schijt hebben (aan)
    contrevenir (à): (iets) overtreden
    convenir : (+ à) (être appropié à) passen (bij), geschikt zijn (voor) ; (+ à) (plaire à) bevallen ; (+de) (admettre) toegeven ; (+ de) (décider de) ‘t eens zijn, worden (over), overeenkomen
    se convenir : (être approprié l’un à l’autre) bij elkaar passen
    convaincre : (persuader de) overtuigen (van); (donner des preuves de) schuldig bevinden (aan)
    se convaincre : (se persuader de) zich overtuigen (van)
  • Traduction en néerlandais

    correspondre : ( + à) (être conforme à) overeenkomen (met) ; (communiquer) met elkaar in verbinding staan; (+ avec) (avoir des relations épistolaires avec) (met elkaar) corresponderen
    se correspondre : met elkaar overeenkomen
    corrompre : (avilir) verderven, doen ontaarden; (soudoyer) omkopen; (avarier) doen verrotten, doen bederven; (déformer) verminken
    se corrompre : (s’altérer) ontaarden, verdorven worden; (pourrir) bederven, verrotten
    courir : (galoper) hard lopen, rennen; (se dépêcher) zich haasten; (circuler) in omloop zijn; (suivre son cours) lopen ; (se déplacer rapidement) lopen ; (participer (à une course)) deelnemen (aan) ; (s’exposer à) zich blootstellen aan; (rechercher) najagen, nastreven; (parcourir) doorlopen, doorkruisen; (fréquenter) aflopen, druk bezoeken; (chasser) jacht maken op; (participer à) meedoen in een wedstrijd; (ennuyer) vervelen
    couvrir : (+ de) (recouvrir de) (be)dekken (met) ; (+ de) (parsemer de) overladen (met), overstromen; (protéger) beschermen; (cacher) verbergen; (la voix) overstemmen, overspelen (l’orchestre); (garantir) dekken; (englober) omvatten, bestrijken; (parcourir) afleggen ; (journalisme) uitvoerig berichten over
    se couvrir : (+ de) (se remplir de ; se vêtir de) zich (be)dekken (met) ; (devenir couvert) betrekken ; (+ derrière) (s’abriter derrière) zich verschuilen (achter)
    croire : (adhérer à qqch) geloven ; (être croyant) geloven, gelovig zijn; (admettre) geloven; (penser) denken, menen
    se croire : (s’imaginer) denken
    croître : groeien
    craindre : (redouter) vrezen ; (ne pas supporter) niet bestand zijn tegen, niet kunnen verdragen
    cueillir : (récolter) plukken ; (prendre au passage) oppiken

Please sign in to leave a comment.