Proposition - Traductions en néerlandais

C’est pas possible, ça ! : Dat meen je niet! ; Dat kan niet waar zijn!
(Une) espèce de (vaurien) ! : Jij schurk !
un truc : een ding, een geval ; een truc, een foefje
(un homme) moustachu : (een) besnorde (man), (een man) met een snor
Repartez ! : Eruit!; Ga terug!
repartir : opnieuw beginnen; weer vertrekken; weer beginnen; weer teruggaan
boiteux, boiteuse : mank, hinkend; de hinkepoot
une mission : een missie; een plicht, een set taken of opdrachten
Je n’en ai plus : Ik heb er geen meer.
J’en ai encore : Ik heb nog wat.
- Avec ceci ? (- Un croissant svp) : - Anders nog iets? (- Een croissant alstublieft)
- Ce sera tout ? ( - Oui, ce sera tout, merci.) : - Dat is alles? (- Ja, dat is alles, dank u)
un magasin (de jouets) : een (speelgoed-) winkel
ça ne m’arrange pas : dat komt me niet goed uit
ça m’arrange : dat komt me goed uit
ça ne va pas être possible : dat zal niet mogelijk zijn
(Est-ce que) je peux m’asseoir ? : Mag ik gaan zitten?
(c’est) une façon de parler : (het is) bij wijze van spreken; (het is) een zegswijze
(le train) à destination de (Paris) : (de trein) naar (Parijs) ; (de trein) met bestemming naar (Parijs)
(le train) en provenance de (Paris) : (de trein) uit (Parijs) ; (de trein) afkomstig van (Parijs)
le commandant de bord : de gezagsvoerder
le niveau d’essence : het brandstofniveau
une cacahuète : een pinda
Allez ! : Schiet op!
(je vais au) bureau : (ik ga naar) kantoor
le bureau (de l’immigration) : het (immigratie-) kantoor, het bureau (voor immigratie)
(sous le) bureau : (onder het) bureau
le bureau (est à l’étage) : het kantoor (is op de bovenverdieping)
partir (à Paris) : vertrekken (naar Parijs)
arriver (à Paris) : aankomen (in Parijs)
vous avez demandé (la police) : U vroeg om de politie
un petit verre : een glaasje
(boire) un verre : een glaasje (drinken)
Qu’est-ce qu’on fait (demain) ? : Wat doen we (morgen)?; Wat gaan we (morgen) doen?
On fait quoi (demain) ? : Wat doen we (morgen)?
sans lendemain : kortstondig
une pancarte : een plakkaat; een bord; een bordje
tournez à gauche : sla linksaf
tournez à droite : sla rechtsaf
au feu (tournez à droite) : (ga rechtsaf) bij het stoplicht; (sla) bij de verkeerslichten (rechtsaf)
à la lumière (tournez à droite) : (ga rechtsaf) bij het stoplicht Québec; (sla) bij het licht (rechtsaf)
une navette (spatiale) : een ruimteveer; de pendel, het pendelvoertuig
(le train) à destination de (Paris) : (de trein) met bestemming naar (Parijs)
(le train) en provenance de (Paris) : (de trein) afkomstig van (Parijs)
(- Dépêche-toi !) - Ça va, (j’arrive !) : (-Schiet op!) – al goed, (ik kom er aan!)
ne mangez pas (cette pomme) : eet (die appel) niet op
Où est-ce qu’on peut trouver de la moutarde ? : Waar kan je mosterd vinden?
Un peu de patience ! : Even geduld!; Een beetje geduld!
un millefeuille : een tompoes
une palourde : een schelpdier